Een
pacemaker is een apparaat om het menselijk
hart te ondersteunen. Aanvankelijk werden pacemakers gebruikt om een te traag hartritme (
bradycardie) te corrigeren. Tegenwoordig worden ze ook gebruikt bij een te snel hartrime (
tachycardie), en bij patienten met een risico op een
hartstilstand of met
hartfalen. Het apparaat ter voorkoming van een hartstilstand wordt met
implanteerbare cardioverter-defibrillator (ICD) aangeduid, en bij hartfalen wordt het apparaat een
biventriculaire pacemaker genoemd. In het geval dat het hart stil komt te staan of onregelmatig klopt, zal de pacemaker een elektrische prikkel geven, waarmee de normale hartslag weer hersteld wordt.
Het hart is met de pacemaker verbonden door
elektrodes, deze worden ook wel leads genoemd.
De connectie van deze leads op de pacemaker is internationaal gestandaardiseerd, zodat pacemakers en leads van verschillende fabrikanten uitwisselbaar zijn.
Vroege pacemakers waren eenvoudige pulsgeneratoren, die met een vaste
frequentie prikkels afgaven. Een moderne pacemaker wordt gestuurd door een microcomputer, en past zich aan aan het gedrag van de drager. Zo zal bij inspanning de hartfrequentie toenemen en als het hart van zichzelf al goed loopt zal de pacemaker niets doen.
Pacemakers worden gevoed door 2,5 volt lithium-iodine
batterijen. Een pacemaker gaat zo'n acht tot tien jaar mee, daarna moet deze worden vervangen. De apparaatjes zijn klein; ongeveer 20 cc en 20 gram zwaar. Ze kosten gemiddeld zo'n 3000 euro. Omdat ze meestal vlak onder de huid geïmplanteerd worden, is dit geen ingrijpende zaak. Men verblijft meestal een nacht in het ziekenhuis.
BewerkenKwaliteit van leven en sterven
De pacemaker stelt de drager in staat, meestal, om een langer, onbezorgder en kwalitatief hoogwaardiger leven te leiden.
Een pacemaker is geen
reanimatie apparaat. In het algemeen is het zo dat een pacemaker patienten die
palliatieve zorg ontvangen niet langer in leven houdt. In de terminale fase is vaak sprake van
sepsis, longziekte, bloedingen, nier- en/of leverfalen, waardoor het hart dusdanig verzwakt is, dat het meestal niet meer reageert op de pacemaker. Tevens is het zo, dat men op een bepaald moment in de terminale fase het apparaat kan uitzetten. Bijvoorbeeld op het moment dat de beademingsapparatuur wordt uitgezet.
In geval van een
ICD ligt het wat complexer. Zo'n apparaat dient wel ter reanimatie. In een bepaald stadium van de terminale fase kan een werkend ICD ongepast zijn. Ook hier geldt dat men kan besluiten het apparaat uit te zetten. Bijvoorbeeld omdat de patient heeft aangegeven niet meer gereanimeerd te willen worden, omdat het ongepast is, of gewoon omdat de patient hem uit wil hebben. Bij het niet ingrijpen kan de doodsstrijd op een pijnlijke manier verlengd worden.
BewerkenVoorzorgen bij gebruik
Na implantatie mag de patient enige tijd, vaak twee weken, niet autorijden. (Voor beroepschauffeurs kunnen andere regels gelden.)
Het belangrijkste advies om een correcte werking van het apparaat te garanderen, is het vermijden van sterke
elektromagnetische straling.
- Mobiele telefoon tenminste 15 cm van de pacemaker verwijderd. Bijvoorkeur bellen met het oor dat aan de tegenovergestelde kant van het lichaam zit ten opzichte van de pacemaker. Telefoon in borstzakje, ook aan de "tegenovergestelde kant".
- MRI-scanners vermijden.
- Booglassen vermijden, overleg met specialist.
- Contolepoort (bijvoorbeeld op een luchthaven), niet blijven staan, het is meestal veilig er snel door te lopen.
Het gebruik van magnetrons en andere huishoudelijke apparaten, wordt als (redelijk) veilig beschouwd.
Meestal wordt sporten in competitieverband afgeraden, evenals sporten waarbij de kans op lichamelijk letsel wat groter is.
BewerkenDe pacemakercode
Pacemakers worden onderverdeeld naar de plaats waar het hart geprikkeld wordt. Er kan sprake zijn van 1 lead, waarbij slechts 1 compartiment gestimuleerd wordt, hetzij de hartkamer hetzij de hartboezem. Er kan ook sprake zijn van 2 leads, waarbij doorgaans een lead in de boezem en 1 lead in de kamer gepositioneerd is.
Aangezien zowel gestimuleerd ("pacing") als gedetecteerd ("sensing") kan worden in de boezems en in de kamers, ontstond de noodzaak voor een duidelijke codering van de verschillende typen pacemakers.
Voor deze codering gebruikt men een 4 lettercode.
De eerste letter geeft aan in welk compartiment pacing plaatsvindt.
A= atrium of hartboezem. Altijd de rechter hartboezem.
V= ventrikel of hartkamer. In dit geval altijd de rechter hartkamer
D= dual. Hierbij dus pacing in zowel de hartboezem als de hartkamer
De tweede letter geeft aan in welk compartiment sensing plaatsvindt.
A= atrium of hartboezem. Altijd de rechter hartboezem.
V= ventrikel of hartkamer. In dit geval altijd de rechter hartkamer
D= dual. Hierbij dus sensing in zowel de hartboezem als de hartkamer
De derde letter geeft de wijze aan van reageren van de pacemaker, de modus.
I = Inhibitie. Dit betekent dat bij detectie van een spontaan hartsignaal de pacemakerprikkel onderdrukt wordt.
T = Triggering. Dit betekent dat bij detectie van een spontaan hartsignaal de pacemaker juist een prikkeling afgeeft
D = Dual. Dit betekent zowel inhibitie als triggering.
O = Niet van toepassing. Er is geen sprake van detectie of sensing van signalen.
De vierde letter geeft aan of de pacemaker zo in te stellen is dat er ritme-aanpassingen mogelijk zijn.
R = rate (of snelheid) responsive. Dit betekent dat als de pacemakerdrager zich inspant, de pacemaker sneller gaat werken. Inspanning herleidt een pacemaker meestal uit de ademfrequentie of voetstapfrequentie of beiden.
BewerkenPacemakertypes
Er is slechte gefixeerde pacing in de rechter hartkamer. Deze pacemakers worden niet meer gebruikt.
Zowel pacing als sensing in de rechter hartkamer. Bij een spontaan eigen signaal, gesensed in de rechter kamer, zal de pacing geïnhibeerd worden.
Dit type wordt veel gebruikt als sprake is van boezemfibrilleren gepaard met een traag kamer ritme.
Zowel pacing als sensing in de rechter hartboezem. Bij een spontaan eigen signaal, gesensed in de rechter hartboezem, zal de pacing geïnhibeerd worden.
Dit type wordt veel gebruikt als sprake is van
sinusarresten. De
AV-geleiding moet dan wel intact zijn. Dit kan tijdens pacemakerimplantatie gecontroleerd worden middels bepaling van een
wenkebach punt. De AAI pacemaker is de meest natuurlijke pacemaker die er is. De sinusknoop geeft een elektrische prikkel af aan de boezems. De boezems trekken hierdoor samen en het bloed wordt de kamers in gepompt. Wanneer er geen prikkel wordt gevormd door de sinusknoop zal er geen boezemactiviteit zijn. De pacemaker valt in en geeft een spanningspuls af in het hart. De pacemakerdraad (lead) geeft de pacemaker informatie (in de vorm van een spanning) van wat er in de boezems afspeelt.
Zowel pacing als sensing in de rechter hartboezem en de rechter hartkamer. Dit type pacemaker heeft dus 2 leads.
Dit type pacemaker wordt doorgaans gebruikt bij
atrioventriculaire geleidingsstoornissen.
BewerkenDe laatste tijd zijn er pacemakers ontwikkeld met 3 elektrodes (
rechterboezem,
rechterkamer en linkerkamer) voor mensen met
hartfalen.
BewerkenTrivia
- William P. Murphy Jr. was de uitvinder van de hartpacemaker.
- In 1958 werd door dr Ake Senning de eerste pacemaker geplaatst bij Arne Larson. Het apparaat werkte slechts 3 uur, en moest door een tweede worden vervangen. De heer Larson heeft uiteindelijk 26 maal een pacemaker geimplanteerd gekregen.