
Links een rode bloedcel en rechts een witte bloedcel
Witte bloedcellen of
leukocyten, (van het oudgrieks, witte cel) zijn
cellen met een celkern die zich in het
bloed bevinden. Ze maken maar een heel klein deel uit van de cellen in het bloed, op iedere witte bloedcel zijn er vele honderden
rode bloedcellen, maar de witte bloedcellen zijn wel een stuk groter. Ze vormen een belangrijke component van het
immuunsysteem. Witte bloedcellen spelen ook een rol bij sommige
allergische reacties, zoals een type I-allergie, ook bekend als
anafylaxie.
BewerkenSoorten
Er zijn verschillende soorten witte bloedcellen, en een manier om deze onder te verdelen door aan- of afwezigheid van
granulen in het
cytoplasma van de cel.
- granulocyten: Bij deze soort zijn er granulen aanwezig, en kan onderverdeeld worden in 3 soorten: de basofiele granulocyten, de neutrofiele granulocyten en de eosinofiele granulocyten.
- agranulocyten: Bij deze soort zijn er geen granulen aanwezig, en kan onderverdeeld worden in 3 soorten: de lymfocyten, de monocyten en de macrofagen.
De verschillende soorten witte bloedcellen hebben elk hun eigen specifieke functies, welke zij over het algemeen uitvoeren door middel van celvraat (
fagocytose), het lozen van pakketjes met actieve stoffen (
degranulatie) of het
presenteren van antigenen aan andere cellen, die op hun beurt cellen aanzetten tot het produceren van
antilichamen.
BewerkenNormale Waarden
We bezitten normaal tussen de 4000 en de 10000 per µl. Kinderen hebben meer leukocyten: hoe jonger, hoe meer. Er zijn drie soorten: de granulocyten, de lymfocyten en de monocyten.
De granulocyten zijn onder te verdelen in de neutrofiele of segmentkernigen, basofiele en eosinofiele granulocyten. De kern van een granulocyt bestaat uit segmenten. De verschillende kerndelen zijn onderling met elkaar verbonden. Zo zijn ze in staat om door een dun bloedvaatje heen te persen en. Bij een ontsteking komen stoffen vrij die de granulocyten aantrekken. De granulocyten gaan de strijd aan met de vreemde indringers. De neutrofiele en de eosinofiele granulocyten nemen de bacteriën op en verteren ze. Dit wordt fagocytose genoemd. De werking van de basofielen is nog niet helemaal duidelijk. Een basofiel granulocyt bevat heparine, een stof die de bloedstolling tegengaat. Door de afgave van heparine wordt de bloedtoevoer naar de ontsteking niet belemmerd. De basofielen vormen ongeveer 1% van de leukocyten, de eosinofielen 2-4% en de neutrofielen 60%.